...Julianadorp van 1939 tot 1945
Govert, vluchteling in KOEGRAS
tijdens de Tweede Wereldoorlog 1940 tot 1945
.
10 mei 1940, “Ga dekking zoeken jong, het is oorlog !!”
10 mei 1940, “Ga dekking zoeken jong, het is oorlog !!” schreeuwde een matroos van de onderzeedienst naar, de toen twaalf jaar oude, Govert de Jong , die vroeg in de morgen om vijf uur, aan de Bassingracht in Den Helder, zijn vader hielp bij het melken en het verzorgen van de koeien. Het was hen al wel opgevallen dat er veel lawaai in de buurt was, maar ze dachten dat er een militaire oefening aan de gang was. De uitroep “oorlog !!” kwam dan ook hard aan. Toch maakten ze, door angst bevangen, eerst nog hun werk af, voordat ze dekking zochten, terwijl het oorlogslawaai steeds heviger werd.
De volgende dag keerde de rust terug, tot anderhalve maand later in de avond van 24 juni Den Helder door de Engelsen werd gebombardeerd. Het oorlogsgeweld ging gepaard met in de lucht hangende lichtkogels en luide explosies, die achter de kerk in de Nieuwstraat een groot vuur veroorzaakten. Bewoners zochten op straat steun bij elkaar, maar toen twee Duitse soldaten op een motor stopten voor een vriendelijk praatje, gingen de meesten spoorslags huiswaarts. Zij wilden de confrontatie met de toen al gehate bezetter niet aangaan. Anderen bleven staan en uitten opmerkingen zoals, “wat moeten die klereleiers hier. Ik ga niet opzij voor dat tuig”. De soldaten waren echter goed gemutst en met een “Gute nacht” verdwenen ze al snel weer uit het zicht. De volgende dag was er grote paniek: iedereen wilde de stad uit. Zo vluchtte ook Govert met zijn ouders , broers en zussen uit Den Helder richting platteland, naar het zuiden, naar Koegras. In tegenstelling tot de dreiging van het oorlogsgeweld en de daardoor heersende angst brak voor hem, zoals hij dat zelf omschreef,de beste periode van zijn jeugd aan.

Ravage in de Spoorstraat in de binnenstad van Den Helder na het bombardement van 24 juni 1940
De eerste kennismaking met Koegras
Het gezin de Jong, bestaande uit zeven leden - vader en moeder de Jong, de zussen Bets, Zus en Artje en de broers Bram, Govert en Dirk, vond onderdak in de boerderij van Joh Vries bij de afslag Zanddijk- Middenvliet. Samen met het gezin de Jong had nog een tiental vluchtelingen een plek in de koeienstal toegewezen gekregen. Met een laag stro en dekens werden daar de nodige slaapplaatsen ingericht. Rondom de boerderij klonk het oorlogslawaai vanwege overvliegende Engelse bommenwerpers en de daarop gerichte beschietingen van de bezetter, die zoeklichten en luchtafweergeschut dichtbij de boerderij had opgesteld. Op een nacht sloeg op het land van Rampen, niet ver van de boerderij, met veel lawaai een grote granaat in. ..
De eerste dagen van zijn verblijf hielp Govert graag op de boerderij bij het melken van de koeien en het verzorgen van het vee en de paarden.

Middenvliet, nu in 2013, met rechts de boerderij waar het gezin De Jong
korte tijd verbleef na de vlucht uit Den Helder op 25 juni 1940
Dirk de Graaf, op zijn boerderij dichtbij Vries, had op een dag een melker nodig. Govert werd door zijn vader aangezet om zich daar als melker aan te bieden. Op weg naar de Graaf kwam net een groot transportvliegtuig, een Heinkel van de Duitse luchtmacht, over. Hij had nog nooit zo’n groot vliegtuig gezien. In de deuropening van de vrachtruimte van het vliegtuig stonden twee Duitse soldaten die de omgeving inspecteerden.
Govert werd aangenomen als melker, maar dat niet alleen. De Graaf had al gauw gezien dat hij handig was en leerde hem ook maaien met een door paarden getrokken maaimachine. Govert genoot volop van het landwerk ook al bleef het oorlogsgeweld doorgaan met laag overvliegende Messerschmitts: de kleine, maar zeer wendbare, Duitse gevechtsvliegtuigen, die vluchten maakten vanaf vliegveld De Kooy en de Engelse bommenwerpers, die van hun missie in Duitsland op terugtocht waren naar Engeland.

Een Heinkel van Duitse luchtmacht
Naar de mark in Schagen
Joh Vries nodigde Govert op een dag uit om de volgende dag mee te gaan naar de markt in Schagen. Voor veel boeren van Koegras was het gebruikelijk om de wekelijkse markt van Schagen te bezoeken. Zij verhandelden dan vee: koeien, varkens, paarden en pluimvee en kochten materialen en gereedschappen, die doorgaans op de boerderij te vinden zijn. Na het marktbezoek bezochten ze cafés rond de markt, om daar rekeningen van leveranciers te betalen van goederen, die vaak al eerder waren geleverd of om het laatste nieuws te vernemen. Boerinnen bezochten gelijkertijd de markt voor inkopen, zoals lappen stof voor kleding en dingen bestemd voor het huishouden.
De dag daaropvolgend ging Govert, op een geleende fiets, met de boer naar Schagen. Bij aankomst in Schagen raakte hij zeer onder de indruk van de straten met de grote huizen en de hoge bomen en het grote aantal rijtuigen, boerenkarren en paarden, waarmee de marktbezoekers waren gekomen. Daarbij viel het hem ook op, dat in Schagen niets was te merken van de oorlog, terwijl je in Koegras daar dagelijks middenin zat.
Verhuizen naar een kippenboet van Minnes
Bij Vries kon het gezin de Jong niet overwinteren. De boer had de stal nodig voor het vee. Zij verhuisden daarom naar de boerderij van Lemmers, dichtbij gelegen aan de Middenvliet en na enige tijd verhuisde het gezin naar de boerderij van Minnes aan de Langevliet dichtbij Julianadorp. Het gezin De Jong kreeg bij Minnes een woning toegewezen in een aangepaste kippenboet. Minnes had naast het houden van koeien ook een kippenhouderij, maar op bevel van de gemeente waren, om de woningnood voor vluchtelingen te lenigen, de kippenhokken geschikt gemaakt voor bewoning.
Weer naar school en een bijzondere gast
De zomer was inmiddels voorbij en Govert moest weer naar school. Hij had als één van de beste leerlingen zes klassen van de lagere school in Tuindorp in Den Helder doorlopen. Zijn moeder stuurde er dan ook op aan, dat hij naar het Lyceum zou gaan. Zij zag voor hem geen toekomst in het boerenbestaan.
De eerste schooldag, op weg naar de bushalte, in nieuwe kleren gestoken en voorzien van actetas met schoolspullen, kreeg hij, vanuit de smidse van Koorevaar, nog toegeroepen; “ Hé Govert, wat zie je er netjes uit. Ga je studeren voor advocaat ?” Hij kende de mensen wel en wist ook, dat Koorevaar vaak een eigen mening had over politieke zaken.
Bij aankomst in Den Helder werd Govert getroffen door de aanblik van de vele haveloze, lege huizen en prikkeldraadversperringen. De nieuwe school was voor hem een hele overgang. Van de rust en het sobere boerenleven in Koegras kwam hij in de drukte van de, meest keurig geklede, medeleerlingen, die op hem neerkeken en hem aanspraken met “boertje”. Toch werd hij ook door één van hen wegwijs gemaakt in de school. Dat was Anna een “deftig” meisje. Govert vond haar heel aardig en vroeg onderwijl wat haar vader deed. Zij antwoordde; “mijn vader is ingenieur bij de marine. Drie jaar geleden is hij uitgevaren richting Indië. Hij is ergens op de Atlantische Oceaan. Wij weten niet waar hij is en of hij nog leeft”. Govert schrok van de gedachte, dat haar vader mogelijk was omgekomen. Anne, die zag dat hij was geschrokken, stelde hem weer enigszins gerust met de opmerking “Wees niet bezorgd om ons”. Weer thuisgekomen wilde Govert zijn nieuwe ervaringen op school delen met zijn moeder, maar dat liep anders.
Bets, de zuster van Govert, had een gast meegenomen uit Anna Paulowna. Vrienden hadden gevraagd hem mee te nemen, hij was daar niet veilig. Toch bleek al heel gauw, dat het voor gezin De Jong te gevaarlijk was om de man in huis te houden. Zijn aanwezigheid was inmiddels ook al in Julianadorp bekend. De Jong werd al de volgende dag in Julianadorp aangesproken over de joodse man die midden in de nacht was aangekomen. De nacht daarop is hij weer vertrokken, samen met Bets, lopend door het land, naar het Noordhollands kanaal, waar de veerbaas zo goed was hem in het geheim over te varen terug naar Anna Paulowna. De veerbaas weigerde geld aan te nemen voor de overtocht. Hij deed wel meer van dat soort klussen. “Er is veel leed in het land en ik help de mensen graag”; was zijn reaktie.

Govert was zijn studie op het Lyceum begonnen, maar voelde zich daar niet erg thuis tussen de keurig geklede medescholieren, die hard bezig waren met de leervakken Nederlands ,Frans, wiskunde, gymnastiek en zo meer. Hij was altijd blij dat de schooldag voorbij was en dat hij weer terug kon naar huis in Koegras. Hij genoot daar van de natuur, de grasweiden, de sloten en de vogels, zoals de kievit en de tureluur en de koeien op de boerderij. Een aantal leraren herinnert hij zich nu nog; Koenen, de wiskunde leraar, Nijkamp die biologie gaf, Suys de geschiedenisleraar en Brühl, de leraar Duits. De reis naar school verliep ook niet altijd vlekkeloos. Soms was de bus al bijna vol met Duitse soldaten en alleen voor ouderen waren dan nog enkele zitplaatsen beschikbaar. De jongeren moesten maar een volgende bus afwachten. Om toch op tijd op school te komen reed Govert dan ook wel eens mee met een melkrijder, die onderweg was naar Den Helder. Hij mocht dan een plekje zoeken tussen de melkbussen achter op de wagen. Eens reed hij, samen met een andere scholier, mee met een brandstoffenhandelaar. Als zwarte pieten kwamen ze toen aan op school. Kwam hij te laat op school, dan moest hij zich melden bij rector Berkhouwer en wachten tot de bel ging voor de volgende les. Dan pas mocht hij de klas in. Na enige tijd moesten de laagste klassen uit het lyceumgebouw. Ze kregen toen les in een klein gebouwtje, voorheen een kerkje, in een griezelig aandoende buurt, met veel leegstaande huizen.
Krijgsgevangenen in Den Helder 1942
Op een dag, toen Govert na schooltijd op weg was naar huis, moest hij op het Koningsplein op de bus wachten. Terwijl hij gebruik ging maken van het, daar net gebouwde, openbaar urinoir, een stinkend en spookachtig gebouwtje, hoorde hij buiten plotseling geklingel. Het was net of iemand naderde met kleine rinkelbellen. Hij schrok hevig toen hij ging kijken wat het was. Vlakbij zag hij een groep van ongeveer twintig mannen langskomen, gehuld in gevangeniskleren met kettingen om enkels en polsen. Ook hadden ze kettingen om hun middel. Ze werden omringd door een aantal gewapende Duitse soldaten. Govert keek naar hen. Sommige keken hem aan, maar de meeste keken recht voor zich uit. De angst sloeg bij Govert in de knieen. Hij voelde zich ziek worden van wat hij zag en zou het nooit meer vergeten. Even later marcheerde een compagnie soldaten vanuit de Koningstraat het plein op. Govert, nog steeds wachtend op de bus, zat op een bank naast een oude man, die zijn wandelstok tussen zijn knieen hield. Hij keek de oude man aan en vroeg; “Zijn dat soldaten onder bewaking? Er lopen gewapende militairen naast hen”. De oude man antwoordde; ” Dat zijn vrouwen, joodse vrouwen, gevangenen, die vanuit het een of andere concentratiekamp, naar Den Helder zijn gebracht voor gebruik door het Duitse godvergeten tuig,” Gebruik…? De oude man schudde zijn hoofd, stond op en ging langzaam de Polderweg op. Gebruik? De vrouwen, oudere zowel als jonge vrouwen, gekleed in blauwe uniformen, marcheerden zoals getrainde soldaten, aan mij voorbij. Govert kon het allemaal niet begrijpen. Twee groepen mensen in Duitse gevangenschap in Den Helder in één dag?
Het wonen in de kippenboeten

Kippenboeten van Minnes werden geschikt gemaakt voor bewoning door vluchtelingen
De dagen werden korter en een minder goede tijd brak aan. Er onstond gebrek aan allerlei belangrijke levensbehoeften, zoals kleding en kruidenierswaren. Steeds meer vliegtuigen vlogen over en het kanongebulder vanuit Den Helder werd ook heviger. Onheilspellende explosies in de lucht en granaatvuur namen toe. In een nacht werd gevreesd dat een granaat was ingeslagen in het verblijf van de vluchtelingen, waarvan het dak bestond uit dunne asbestplaten, die niet veel bescherming boden. Er werden enkele gaten in het dak ontdekt, maar granaatscherven werden niet aangetroffen. De aangepaste kippenboeten, bestaande uit dunne houten wanden, boden ook niet veel privacy voor de bewoners. Was er heibel bij een gezin, dan konden alle bewoners het letterlijk volgen. Eén van die ruzies was een echtelijke onenigheid die zo hoog opliep, dat de vrouw haar man ging aangeven bij de politie met de opmerking, dat hij steeds naar radio Oranje luisterde. De man werd vervolgens door plaatselijke politieagenten gearresteerd. De vrouw schrok hevig van de gevolgen van haar aangifte en vroeg zich huilend af; “wat heb ik gedaan ?”
Bram de oudere broer van Govert had bij zijn werk een kleine kraai aangetroffen en deze meegenomen. Govert kreeg met het beestje, dat hij Kokki noemde, een echte kameraad.Op een dag werd bij de buren ruzie gemaakt over een ransoentje tabak en boter, dat werd bewaard voor speciale gelegenheden. De vrouw verweet haar man, dat hij met zijn tabak de boter had vervuild. Al gauw ontdekte Govert, dat Kokki in de boter en de tabak had zitten pikken. En toen Kokki ook nog een buurvrouw in haar voet had gepikt, was de maat vol voor vader De Jong. Toen Govert ’s middags thuiskwam van school en zijn kleine kameraad niet meer aantrof, bleek dat zijn vader het vogeltje de nek had omgedraaid. Hij begreep er niets van en hij nam het zijn vader dan ook hoogst kwalijk.

Boter was schaars in oorlogstijd
Govert kon zich door de gehorigheid van behuizing en omdat hij met tegenzin naar school ging niet goed concentreren op zijn schoolwerk. Hij zocht geregeld de rust van de natuur. Hij dwaalde ’s avonds, tot na zonsondergang, door Koegras, van Langevliet tot de Zanddijk, en zittend op een duinhelling, dacht hij ook terug aan de gebeurtenissen rondom. Zoals de noodlanding
van een Engelse bommenwerper, waarna de piloten uit hun vliegtuig kropen en zittend op een vleugel van hun kist rustig een sigaret opstaken in afwachting van hun arrestatie door de Duitse bezetter die al gauw volgde. Of het nieuws dat hij opving bij kapper Weidema over een dodelijk slachtoffer op vliegveld De Kooy. Govert kende de man. Hij had eerder bij een boer met hem samengewerkt. De man werd gelektrocuteerd doordat hij tijdens graafwerkzaamheden een elekriciteitskabel beschadigde. Tot zijn verdriet zag Govert ook steeds meer grasland veranderen in akkers, bestemd voor bloembollen. Het gaf in het voorjaar wel veel kleur op het land, maar voor weidevogels was veel minder plaats. Toch genoot hij steeds weer van het mooie uitzicht op de landerijen, met de geluiden van de weidevogels en verzuchtte, ondanks het voortdurende oorlogsgeweld; “Ik wil hier nooit meer weg”.
Bets verhuist naar Duitsland, 1942
Bets wil naar Duitsland” was de opmerking, die Govert, op een dag, kreeg van zijn moeder. “Zij wil trouwen en om ons niet in moeilijkheden te brengen heeft zij besloten om weg te gaan.. Govert was helemaal uit het veld geslagen : Zijn oudste zus..., helemaal naar Duitsland !
Bets had al enige tijd verkering met Franz Hauzeneder, een Duitse soldaat en dat gaf spanning binnen het gezin De Jong. Ondanks dat het een joviale jongeman was, gaf zijn afkomst en daarbij het feit, dat hij deel uitmaakte van de Duitse bezetter, reden tot verbittering.
Bets was in verwachting geraakt. Zij wilde weg en zo snel mogelijk trouwen. Maar dat ging niet zomaar. Voordat ze toestemming van de bezetter kreeg om met Franz te trouwen, moest worden uitgezocht of ze niet van Joodse afkomst was. Tot in de zevende generatie terug werd de familie nageplozen. Toch vertrok Bets al gauw, op de fiets, met koffers achterop, naar Duitsland. Enige tijd later kreeg de familie bericht dat Bets zich had gevestigd in Reutlingen, een stad in de streek Baden Würtemberg, in Zuid-Duitsland. Het regiment van Franz was naar Rusland gestuurd.
Drie jaar later kwam Bets, die inmiddels met goedkeuring in Duitsland was getrouwd, terug, samen met haar zoontje Franz-Dirk. Drie weken was ze met haar zoontje in een oude kinderwagen onderweg geweest van Reutlingen naar Koegras. Ze had achtereenvolgens gereisd met trein, bus, vrachtwagen, paard en wagen en het laatste deel vanaf Friesland via de Afsluitdijk te voet afgelegd.
1942 Atlantic Wall en de bunkers in Koegras

Een barière van draketanden op de duinen ten westen van Julianadorp in het verlengde van
de Anti-tankgracht, die deel uitmaakte van de nieuwe verdedigingslinie en bedoeld was
ter afscherming van de, strategisch gezien, belangrijke haven van Den Helder.
Koegras veranderde. Op twee plaatsen in Julianadorp werden hoge masten opgesteld, voorzien van grote schijnwerpers, die de hele nacht hun felle licht uitstraalden. In heel Koegras, Julianadorp en de duinen werd dag en nacht gewerkt aan de bouw van verdedigingswerken, bestaande uit grote en kleine bunkers, die deel uitmaakten van de Atlantic Wall, een zeer omvangrijke kustverdedigingslinie van de Duitse bezetter, die liep van de kust van Noorwegen tot de Pyreneeën in Spanje. Het werk werd uitgevoerd door Hollandse aannemers, in opdracht van de Duitse organisatie TODT.
Bram, de oudere broer van Govert, was één van de werklieden bij de bouw. Door zijn werk aan de bunkers voorkwam hij, dat hij naar Duitsland werd gestuurd om daar voor arbeid te worden ingezet. De arbeiders hadden speciale persoonsbewijzen, waarmee ze toegang kregen tot de bouwplaatsen van de verdedigings- werken. In de de duinen werden grote metalen torens gebouwd, voorzien van grote antennes om de komende vliegtuigen te kunnen opsporen. Het duingebied werd afgesloten en verboden gebied.
Ten zuiden van Julianadorp werd een anti-tankgracht gegraven. De gracht liep vanaf de Rijksweg tot de duinen langs de Zanddijk en was bedoeldals verdedigingslinie, ter bescherming van de, strategisch belangrijke, haven van Den Helder. Langs de gracht werden meer dan twintig bunkers gebouwd. Op de Rijksweg, de Langevliet en de Zanddijk werden zwaar bewaakte toegangen gemaakt. Toen dat allemaal klaar was werd Julianadorp op 1 november 1943 tot “Sperr-gebiet” verklaard. Alleen bewoners kregen, middels het tonen van een persoonsbewijs, toegang tot dat gebied. Govert verwonderde zich erover, dat de werkzaamheden aan de bouw van de verdedigingswerken, die ook ‘s nacht zeer goed zichtbaar waren, nooit zijn gebombardeerd door de Geallieerden.

Een dagpasje van timmerlieden om toe-
gang te krijgen tot het "Sperr-gebiet"

De anti-tankgracht die in 1942 ten zuiden van Julianadorp werd gegraven
Molentjes, Hollander en techniek
In Koegras waren veel watermolentjes, die tijdens de oorlog ook werden ingezet voor andere doeleinden. Govert zag bij boer Maters, aan de Langevliet, dat zijn molentje werd gebruikt om olie uit zaad te produceren. Dit moest wel allemaal in het geheim gebeuren. Bij een bezoek van Govert aan de timmerwerkplaats van Hollander kwam ook een jongeman langs met een zak gerst. Hij vroeg aan Hollander of hij de gerst wilde malen.
Timmerman Hollander had op zolder een kleine korenmolen gemaakt, waarmee hij graan kon malen. In de grote werkplaats waren, schots en scheef, van de ene naar de andere hoek, drijfriemen aangebracht. Als Hollander aan een bepaald touw trok, kwamen de riemen in beweging en met een druk op een knop kwam de molen in werking.
Hollander was ook bedreven in het maken van vijzels voor watermolens. De vijzel is een soort uitgerekte houten schroef, bestaande uit een lange spil, met veel kort hout rondom, bevestigd in de lijn van een schroef. Een ander keer was de timmerman bezig met het maken van een lange pijp om de temperatuur van opgeslagen hooi te kunnen meten. Een boer langs de Callantsogervaart had hooibroei ontdekt en had Hollander gevraagd een stuk gereedschap te maken voor het meten van de temperatuur. Zou de temperatuur te hoog oplopen dan ontstond gevaar voor boerderijbrand.

Het molensteentje van Hollander in WO II
Film in bioscoop op de Blauwe Keet
De jongen, die de gerst had laten malen bij Hollander, zou die middag naar de film gaan. Hij vertelde Govert, dat er door een Duitser of NSB-er een film zou worden gedraaid. Het moest een mooie film zijn, die zou worden vertoond in een bioscoop bij het buurtschap de Blauwe Keet aan de Rijksweg. Andere jongens en meiden uit Julianadorp zouden ook komen. Nieuwsgierig geworden door het verhaal besloot Govert die middag ook naar de film te gaan.
Toen hij bij de Blauwe Keet aankwam stond al een groep jongeren te wachten. Ongeveer de helft daarvan kwam uit Julianadorp. De bioscoop was in een houten keet. Binnen stonden banken, gemaakt van planken en kisten en een groot wit bord op een ezel. Toen iedereen binnen was, werden de ramen afgedekt, ging de deur dicht en werd de film gestart. Er volgde een razend geluid en een felle lichtstraal. Op het witte bord verscheen een bevend portret van een man met een hakenkruis, gevolgd door jonge soldaten, zingend en lachend marcherend door een bergdal. Na een poos met dat soort beelden kwamen de woorden. Heimat, verklaarde een stem, betekende iemands huis of woonplaats. Daarna begon eindelijk de hoofdfilm, die al gauw de volle aandacht trok. Het was een pracht van een film. Maar wat Govert het meest aansprak was het lied, dat zo mooi werd gezongen door een soldaat met een mooi meisje op de achtergrond.
.
Heimat deine Sterne, sie strahlen mir auch am fernen Ort.
Was sie sagen, deute ich ja so gerne,
Als der Liebe zärtliches Losungswort.

.
Govert raakte zeer onder de indruk van die film, de taal en het zingen. De weg terug naar Julianadorp was een langzame wandeling met veel gepraat, gelach en gegiechel van de jongens en de meiden. Thuis vertelde Govert enthousiast over de mooie film, maar zijn moeder reageerde terughoudend; “Die lui willen al jullie jonge mensen helemaal onder hun moorddadige invloed brengen.”
Angstaanjagend bezoek
Op de avond van dezelfde dag werd huize De Jong opgeschrikt door een inval van een groep Duitse soldaten. Als bij donderslag vloog de deur open en drie, vier,vijf Duitse soldaten stormden naar binnen en de hoofdman, een kleine officier met een stem als een scheermes, kwam op vader de Jong af en beschuldigde hem van diefstal. “Jij bent een dief en een vijand van het Reich!” en nog veel meer. De andere vier soldaten stonden, met hun geweer in aanslag, klaar om de hele zaak overhoop te schieten. Naar het leek. De Jong had moeite om uit zijn stoel op te staan en Govert vreesde, dat hij, van schrik, zijn pruim zou inslikken. Toen kwam zijn moeder in actie. Ze probeerde tussen haar man en de schreeuwende Duitser te gaan staan. Het was een drukte van jewelste en een angstig moment. Niemand was meer te verstaan. Ze schold in het Nederlands de kerel uit. De Duitser tilde zijn rechter arm op en het leek of hij haar wilde slaan. Zij vroeg aan Govert;” Wat zegt die kerel ? Die had alleen maar verstaan, dat de soldaten op zoek waren naar vermiste paarden en dat ze dachten, dat zijn vader ze had gestolen. ”Is die kerel nou helemaal belazerd,” riep zijn moeder. De officier kalmeerde een beetje en keek naar Govert. Die vertelde hem zo goed en zo kwaad als hij kon, met de op school opgedane kennis van de duitse taal, dat zijn vader een kleine veeboer was met een paar koeien en dat hij het enige paard, dat hij had, al eerder moest inleveren bij de Duitse Wehrmacht. Hij gaf ook aan, dat zijn vader in het bezit was van een formulier, dat hij als bewijs kreeg, toen hij zijn paard inleverde. De kerels keken elkaar aan en de officier gebaarde zijn mannen ’weg’ en daarna volgde hij zelf. Het gezin De Jong bleef verbouwereerd achter. Later hoorden ze, dat bij fort Dirks Admiraal, inderdaad paarden waren gestolen. Gestolen of alleen maar uit het fort vrijgelaten ?
Wachtlopen vanwege diefstal
Een andere keer drong opnieuw een groep Duitse soldaten de kamer binnen. De Duitser, die het commando voerde, schreeuwde met luide stem, wijzend naar vader De Jong :” Jij gaat met ons mee”. Mevrouw De Jong was even met stomheid geslagen, maar kwam snel bij. Ze ging voor die oficier staan en vroeg: “Waarom moet hij met jouw meegaan?”. Haar stem was scherp en even luid als die van de Duitser. Verbaasd keek hij haar aan en een beetje rustiger antwoordde hij; “Er is sabotage en diefstal bij het nieuwe kanaal (de anti-tankgracht). We verzamelen een groep Hollanders uit deze buurt om van nu af aan wacht te lopen van zonsondergang tot het weer licht wordt ”. Daarna weer tegen De Jong. “Snel, kom mee nu, morgenochtend kom je weer thuis”. Hij sprak nu wel normaler, maar de toon en de houding bleven dreigend. Mevrouw De Jong aarzelde nog even, maar nam toen een wijs besluit. Ze haalde de jas en de pet van haar man en stopte nog gauw wat brood in zijn jaszak. De achterblijvers waren even stil. De vrouw twijfelde of het verhaal van de diefstal wel klopte. Bram vertelde toen, dat hij van een Duitse soldaat had gehoord, dat een deel van de vracht, bestaande uit balken en zware planken, die hij een paar dagen geleden naar de nieuwe brug over de anti-tankgracht bij de Langevliet had gebracht, was gestolen. Het was prachtig hout en hij dacht ook wel te weten wie dat hout gestolen had. Er was doorgaans weinig contact tussen de mensen die het materiaal oplaadden en de lui die het op de plaats van bestemming in ontvangst namen. Veel arbeiders, die zorgden voor transport van materialen voor de organisatie Todt, deden dat, met het motto van één vracht voor die moffen en één vracht voor het Vaderland. Mevrouw De Jong maakte zich toch wel zorgen over haar man. Maar ze meende ook dat het wel weer goed zou komen. Als melker, werkzaam voor de voedselvoorziening, zou de Hollander, de NSB-er die districtsleider was op Huisduinen, hem wel weer vrij krijgen. Dat bleek al gauw, want De Jong werd maar voor een week belast met het wachtlopen bij de anti-tankgracht.
Bijdrage aan voedselvoorziening
De Jong moest, als keuterboertje, ook een bijdrage leveren voor de voedselvoorziening. Tweehonderd kilo vlees werd van hem gevraagd. Met een andere boer, die driehonderd en vijftig kilo vlees moest leveren, besloot hij samen één koe te kopen. Inplaats van beide een koe kwijt te raken kon dat nu met één koe worden afgehandeld.
Dorsen onder toezicht van een NSB-er 1943
Herfst 1943 werd Govert, op voorspraak van zijn oudere broer Bram, opgenomen in een dorsploeg. Aan Bram was gevraagd om te komen helpen bij het dorsen. De ploegbaas vroeg gelijkertijd of hij ook iemand wist voor het schoonhouden van de dorsvloer onder de dorsmachine. Bij het dorsen werden graanschelven boven in de dorsmachine geschoven, waarna in de machine de graankorrels werden verwijderd, die vervolgens werden opgevangen in een jutezak. Was de zak vol, dan werd die naar de opslag in het boerenbedrijf gebracht. Het vrijkomende stro werd ook, in balen, opgeslagen in de boerderij. Doorgaans was het dorsen zwaar werk, maar voor het opruimen van kleine strodelen en het kaf, dat onder de dorsmachine terecht kwam, werd vaak een jongen gevraagd, die dan de “kafjood” van de dorsploeg werd genoemd. Het was het meest vuile werkje, dat gedaan moest worden. Govert werd aangenomen voor dat werk. Als aanvulling op het loon dat hij verdiende, kreeg hij ook nog een zakje graan. Dat was zeer welkom in huize De Jong in de heersende barre oorlogstijd, aan alle eerste levensbehoeften was gebrek.
Tijdens het dorsen was ook altijd een NSB-er aanwezig, die het aantal gevulde zakken met graan bijhield. De landverrader, werd zeer gehaat door de leden van de dorsploeg. Niemand wisselde tijdens het werk een woord met hem.
Op een dag, toen de mannen van de dorsploeg al zat te schaften en Govert nog even gelegenheid nam om zijn werk op orde te brengen, probeerde de NSB-er een zak met graan te stelen. Govert zag dat hij aanstalten maakte om de zak in zijn auto te laden. Hij waarschuwde zijn broer, die vervolgens met de andere leden van de dorsploeg bij de NSB-er verhaal gingen halen. Echter voordat hij kon reageren, greep de ploegbaas in met de opmerking, dat de mannen weer aan het werk moesten gaan. De dorsmachine werd weer aangezet en het geluid daarvan overstemde de verdere opmerkingen van de dorsers. Govert was verbaasd, dat de ploegbaas de man niet harder had aangepakt. Die had daar wijselijk van afgezien. Het was veel te gevaarlijk om ruzie te maken met een collaborateur van de bezetter. Het dorsen ging gestaag door van boerderij naar boerderij en toen het seizoen voorbij was moest Govert weer op zoek naar een ander baantje om geld te verdienen.
Aanbod vluchtelingenwoning aan de Landbouwstraat 1944
Toen Govert op een middag thuis kwam trof, hij zijn moeder in de kamer aan met een bezoeker, een voor hem vreemde meneer, die namens de gemeente, een andere woning aan het gezin De Jong had aangeboden. Het betrof een nieuwe woning in de Landbouwstraat in Julianadorp: een twee-onder- één-kap-woning.
In de Landbouwstraat, de Tuinbouwstraat en de Jacob van der Veerstraat waren in 1942, door de gemeente, op advies van de Commissie voor Helderse Vluchtelingen, een flink aantal nieuwe woningen gebouwd. Speciaal bedoeld voor vluchtelingen, die net als de familie de Jong, tijdelijk in aangepaste kippenboeten of andere tijdelijke sobere woongelegenheden waren gehuisvest. De woningen werden in 1942 gevorderd door de Duitsers voor de Organisatie Todt, de Duitse bunkerbouwer, die de huizen beschikbaar stelde aan arbeiders, die werkzaam waren bij de bouw van militaire versterkingen in Julianadorp en Koegras. In de zomer van 1944 kwamen de woningen, inmiddels zwaar beschadigd door vandalisme, eindelijk beschikbaar voor de vluchtelingen.
Zeer benieuwd naar de nieuwe woning ging Govert samen met zijn moeder een bezoek brengen aan het nieuwe huis in de Landbouwstraat. Het huis was heel iets anders dan de tijdelijke woning, die zij hadden betrokken in de kippenboet van Minnes, waar Govert zelfs nog een eigen kamer had. Voor hem was het een tegenvaller, dat hij een slaapkamer zou moeten delen met zijn jongere broer Dirk. Het vrije uitzicht over de landerijen van Koegras zou veranderen in uitzicht op bunkers bewoond door de bezetter, prikkeldraadversperringen en de hoge aarden wal langs de anti-tankgracht, die dicht bij de woningen, ten zuiden van Julianadorp, was gegraven. Zijn moeder was wel zeer opgetogen en begon al na te denken over de inrichting van de nieuwe woning. Waar zou ze genoeg spullen vandaan kunnen halen. In de tijd van oorlog, waarin alles steeds schaarser was geworden,.

Een aantal van de vluchtelingenwoningen die in 1942 werden gebouwd in de
Landbouwtraat en de Tuinbouwstraat (foto) en J.v/d Veerstraat
Werken aan een extra sloot langs de anti-tankgracht
Er kwam een officiële brief, waarin stond dat Govert zich de dag daarop moest melden voor werk aan het nieuwe tank-kanaal. Hij zou worden ingezet als grondwerker met een schop en een kruiwagen. Dat moest zijn bijdrage worden om het nieuwe Duitse Rijk te beschermen tegen de gewelddadige vijand aan de andere kant van de Noordzee. De volgende dag ging hij naar het aan hem opgelegde werk. Hij liep over het kleine bruggetje in de Klaverstraat over de Langevliet en liep langs de weg, zuidwaarts, naar de nieuwe brug over de anti-tankgracht, één van de drie uitgangen van het sperrgebiet waarin Julianadorp inmiddels lag. Voordat hij over de brug zijn weg kon vervolgen naar het werk, ordonneerde een Duitse soldaat hem het tonen van zijn persoonsbewijs. Govert werd te werk gesteld bij het graven van een sloot, die min of meer evenwijdig aan de anti-tankgracht liep. De sloot was ongeveer drie meter breed en één meter diep. Met de grond uit die sloot moest een andere dijk gemaakt worden ten zuiden van de sloot. Twee mannen werkten als een team: één vulde de kruiwagen en de ander kruide de grond naar de overkant van de sloot. Kwam er water in de sloot, dan werden paaltjes in de bodem geslagen ter ondersteuning van een rijplank over de sloot. Een paar dagen lang ging alles gesmeerd, totdat een man met de kruiwagen door de plank zakte. De kruier kwam er droog vanaf, maar zijn kruiwagen lag in het water. Govert begreep al gauw wat er was gebeurd: Iemand had stiekem de plank gedeeltelijk doorgezaagd. Hij kende ook de kruier. Het was Piet de Boorder, de man met een geestelijke beperking. Govert kon het niet aanzien, dat juist hem die hak werd gezet. Hij vond het walgelijk, terwijl de andere werkers daar stonden te grinniken. Piet was er overstuur van. Govert ging naar hem toe en zei; ” kom mee, wij gaan samenwerken”. Piet liep gedwee mee en het werk werd weer voortgezet, maar na het voorval wilde hij wel graag dat Govert de vracht over de sloot zou kruien. Hij zou de kruiwagen wel laden. Piet was sterk en werkte hard. Regelmatig moest Govert hem vragen het wat rustiger aan te doen.
Tijdelijke vlucht naar Callantsogervaart
Al een paar weken deden verhalen de ronde, dat de bewoners van Julianadorp het dorp zouden moeten verlaten. Niemand wist waarom. Waar zouden ze naar toe moeten? De soldaten, die in de bunkers aan de Landbouwstraat woonden, waarschuwden de dorpers, dat het beter was, dat zij zouden vertrekken, want de oorlog kwam gevaarlijk dichtbij. Julianadorp zou in de vuurlinie komen te liggen. Sommige mensen geloofde er niks van. Toch vertrokken alle mensen uit het dorp. Zo ook het gezin De Jong, dat verhuisde naar een boerderij aan de Callantsogervaart, een kilometer ten zuiden van Julianadorp. In de boerderij leefde het gezin onder sobere omstandigheden: het leek wel kamperen. Govert moest in die tijd zijn vader helpen bij het schoon maken van sloten en greppels voor een boer, die daar dichtbij woonde. De boer was lid van het bestuur van waterschap Koegras en werkvolk was schaars, zelfs bijna onmogelijk te vinden. Daarom had hij een beroep gedaan op de vluchtelingen. De slootkanten moesten nodig gemaaid en afgestoken en het vuil, dat de drainagepijpen verstopte, moest worden verwijderd. Het werk nam een aantal dagen in beslag. Moeder De Jong had inmiddels al besloten weer terug te keren naar het huis aan de Landbouwstraat.

Een paar dagen later, laat in de avond, kwam onverwacht bezoek. Het leek alsof iemand tegen de achterdeur schopte. Toen Govert ging kijken trof hij de boer, waarvoor zij de sloten en greppels hadden schoongemaakt, in de deuropening aan. Hij had een grote zak op z’n rug. Bram, die ook thuis was, nam de zware zak over van de boer. Het bleek een zak gevuld met tarwe. De Jong en zijn vrouw, die er ook bij waren gekomen, vroegen de boer binnen te komen, maar hij ging niet in op de uitnodiging. Hij zei; “Wel De Jong, ik wilde je nog bedanken voor al het werk, dat je voor mij hebt gedaan en ik dacht dat je, bij dat waardeloze geld, vast ook wel brood nodig had.” Mevrouw de Jong verbaasde zich over zijn bezoek en vroeg de boer: “ hoe hij langs de Duitse wacht op de brug over de anti-tankgracht was gekomen en hoe hij de vracht helemaal bij hen had gekregen?” Hij antwoordde: “Och, vrouw De Jong, we hebben allemaal onze geheimpjes. Maar ik moet weer terug. Zoals u weet kan dit soort geheimpjes het daglicht niet verdragen.” Hij glimlachte toen de vrouw hem bedankte voor zijn gift. Zij dacht dat de hoeveelheid tarwe wel honderd broden zou opleveren. Daarna vertrok de boer weer.
Te werk gesteld in de duinen bij Huisduinen najaar 1944
Opnieuw kwam een brief van de Duitse Wehrmacht voor Govert. Hij moest zich de volgende dag om acht uur melden in Den Helder. Toen hij daar aankwam was er al een hele groep mannen, allemaal in werkkleren, benieuwd naar wat hun te wachten stond. Een jonge knul, een praatjesmaker, sprak luid toen hij zei, “Ze kunnen mij niks doen, ik heb een halve bunder bloembollen, die ik moet onderhouden”! Een man met een armband, met de letters NSB, reageerde direkt met: “Als ik jou was zou, ik m’n mond maar houden. Die Oberst is helemaal niet geinteresseerd in jouw bloembollen”. Niemand zei meer iets.
Govert moest zich melden. Achter een tafel zat een Duitse officier en naast hem stond een lange soldaat, met z’n handen op de rug, die vriendelijk naar hem lachte. Govert gaf de brief, die hij had ontvangen, aan de officier achter het bureau.” Ben jij,” vroeg hij, "Kovert Johannes de Jong?" Ja...eh… Govert keek naar de lange en die knikte. Hij aarzelde even. Moest hij de Oberst met ’Ja meneer’ antwoorden of met ’ja meneer Oberst’ of zoiets. Hij herinnerde zich nog, ‘’ altijd met twee woorden antwoorden, als een ouder iemand je iets vroeg “. De man keek hem scherp aan en zei vragend, “ Kovert?” Toen boog de lange zich naar de officier en zei ’Herr Oberst, Holländisch für Godfried”. “Ach so! Godfried !’ Leeftijd: vijftien jaar, hmm. Ze overlegden even, waarna Govert een stuk papier kreeg, waarop stond geschreven, dat hij zich de volgende morgen om acht uur moest melden bij het militaire terrein, even voorbij café Duinoord. Thuis deed Govert verslag bij zijn moeder en vroeg haar waar dat militaire terrein was.
De volgende morgen vroeg ging hij, op zijn fiets met banden gesneden van oude autobanden met stukjes ijzerdraad aan de vellingen gebonden, naar Duinoord, gelegen in de duinen aan de zuidkant van Den Helder, even voorbij de boerderij van Dirk de Graaf, waar hij in 1940 nog eens als melker had geholpen. Hij liep een betegeld pad op tot hij bij een gebouwtje kwam. Hij zag daar niemand en liep door tot hij een groep mannen zag staan. Hij stalde zijn fiets tegen een hek, voegde zich bij de mannen en wachtte af wat er verder zou gebeuren.Ze stonden dicht bij een geweldig, hoog, metalen bouwwerk met radarinstallatie, gebouwd op de top van een duin. Het gevaarte was van alle kanten op kilometers afstand duidelijk zichtbaar. Govert had zich dikwijls afgevraagd waarom de kolossale installatie nooit was gebombardeerd.

Deze radarantenne stond in de Tweede Wereldoorlog in de buurt van Huisduinen
Er woei een stevige zuid-westen wind en de nog laaghangende zon toverde de hele omgeving om in een koud, met zonlicht overspoeld verwoest Hollands duinlandschap. Op dezelfde plaats hadden zij, Govert met Zus en Dirk, onder toezicht van Bets, meer dan eens bramen geplukt van de vele braamstruiken die overal in de duinen groeiden. Een luid schreeuwende soldaat probeerde, over het lawaai van wind en zee en belaagd door stuifzand, de mannen duidelijk te maken, dat ze in een rij moesten gaan staan, met het gezicht naar de zee. Om het zand uit zijn ogen te houden had de man een grote bril op. Er verscheen nog een andere soldaat, ook met een grote bril op. Hij bleef voor de groep staan en probeerde ook iets te zeggen. Govert verstond er niets van. Hij keek eens om zich heen en ontwaarde een grote bunker vlakbij. De wind blies het stuifzand laag over de grond en rond de hoek van de bunker, hoog in de lucht, in de richting van het gezelschap. De officier
kreeg de volle laag. Govert voelde ook het scherpe zand in zijn gezicht. Hij deed de ogen dicht en zag voor zich het duin, zoals het was in die tijd, dat ze de bramen plukten en zoals ze op de Tuindorpschool in de derde klas met juffrouw de Vries zongen;

Waar de blanke top der duinen
schittert in den zonnegloed
en de Noordzee vriend'lijk bruisend
Neêrlands smalle kust begroet
juich ik aan het vlakke strand,
juich ik aan het vlakke strand:
'k heb u lief, mijn Nederland,
'k heb u lief, mijn Nederland!


De mannen volgden de twee Duitse begeleiders tot aan de top van het duin vlak boven het strand. Govert had de zee al lange tijd niet meer van zo dichtbij gezien. Hij genoot ervan om de zee weer eens te zien en te luisteren naar het geluid van de golven. Er was daar in het duin een groot gat geslagen en dat moest met lange, groen geverfde, palen worden gedicht. De twee Duitsers waren al oudere mannen, die later, toen zij een beetje meer vertrouwelijk met de mannen omgingen, vertelden over hun leven en over zichzelf. Eén van hen vertelde, dat hij op een dag een brief kreeg van de Führer. In die brief stond; “Beste Gustaf”, Jij en ik hebben samen gediend en gevochten voor ons Vaderland in WW1. Daarom, Gustaf, reken ik op jou dat je ook nu weer bereid bent om het Vaderland te verdedigen.” “Wel”, vroeg Gustaf ons: “wat kon ik doen?”
De ploeg arbeiders werd al gauw kleiner, zo rond de twintig man. Ze kwamen bijna allemaal uit Koegras, Julianadorp inbegrepen. Het werk, dat moest worden gedaan, veranderde dagelijks. Govert kreeg de opdracht om het opgestoven zand van het luchtafweergeschut, boven op het duin, te verwijderen. Vaak kon hij de volgende dag opnieuw beginnen, dan was alles weer ondergestoven. Hij werkte korte tijd met Schulz, die zorgde voor de twee paarden die zo nu en dan werden gebruikt. Schulz was een soldaat, die het niet met Hitler eens was en niet bang was om zijn nek uit te steken. Hij was meer boer dan soldaat en kon goed met paarden omgaan. Omdat het eten van de Duitsers niet zo goed was, at hij soms van het paardenvoer, dat bestond uit kleine brokjes. Govert probeerde het ook eens, maar spuwde het gauw weer uit. Schulz verdween na enige tijd. Toen Govert aan één van de bewakers vroeg, waar Schulz was, schudde die zijn hoofd en gebaarde dat hij daarover moest zwijgen en niet meer moest vragen.
Govert ging daarna terug naar het gat in het duin. De mannen waren daar toen bezig met een kipkar op een smalspoor, waarmee ze zand haalden en vervolgens in het gat stortten. Eén van de eerste begeleiders was inmiddels vervangen door een echte Nazi. Hij was soms heel vriendelijk, maar kon ook plotseling zo kwaad worden, dat hij wel iemand de hersens zou kunnen inslaan. Gelukkig werd hij al gauw weer door een ouder persoon vervangen. Zo nu en dan kwam een officier het werk inspecteren. Enkele weken na zijn eerste inspectie zagen de arbeiders hem weer aankomen langs het duinpad. Hij liep toen heel voorzichtig. “Wat is er aan de hand met de man”, vroeg Govert aan één van de begeleiders.” Die antwoordde dat de officier een geslachtsziekte had opgelopen.

Het strand van Huisduinen met prikkeldraad en obstakels om aanvallen vanuit zee te bemoeilijken
De donkere dagen vóór kerst naderden. Tijdens het werk, het was laat in de namiddag, riep plotseling één van mannen: “Wat is dát ?..” en hij wees naar de zee, waar de golven, met witte kruinen tot ver op het strand, kwamen. Op ongeveer een kilometer afstand van de kust dreef een heel groot zwart object. Eén van de begeleiders holde met z’n oude lichaam direct naar de bunker, waar de officier, die de leiding had, huisde. Die kwam onmiddellijk met drie of vier andere officieren en tuurde naar het zwarte gevaarte. Zonder zich tot iemand te richten vroeg de grote man “Wat in God’s naam is dat? Eén van de arbeiders maakte een smerige opmerking, waar de anderen om grinnikten. De officier werd kwaad en beval Govert de opmerking te vertalen. Die haalde zijn schouders op en gaf aan, dat hij dat niet kon. Hij kon de uitspraak niet over zijn lippen krijgen. De officier werd kwaad en liep dreigend richting de grappenmaker, maar halverwege draaide hij zich plotseling om en liep weg. De arbeiders waren allemaal flink geschrokken. Dat gold ook voor de Duitse begeleiders en zij waarschuwden de grappenmaker, die inmiddels ook bleek was van schrik. Wat het zwarte gevaarte was, bleef een mysterie.
De werkzaamheden werden weer voortgezet, maar door het voorval werkte zijn beetje kennis van de Duitse taal in het nadeel van Govert. Een deel van de groep meende dat Govert schuldig was aan het voorval en verweten hem te heulen met de bezetter en dat werd hem goed duidelijk gemaakt. Als Govert samen met een andere jongen een paal moest verplaatsen, waarbij eerst door twee man de paal op hun schouders werd gelegd, bleek al gauw dat Govert steeds het zwaarste deel van de paal kreeg. Op de plaats, waar de paal op de grond moest worden neergelegd en Govert aftelde om tegelijk de paal te laten vallen, was de jongen steeds net iets eerder met het los laten. De paal stuiterde dan nog even zeer pijnlijk op het schouder van Govert. In plaats van een verontschuldiging draaide de jongen zich grijnzend om. Later op de dag kneep een veel oudere man Govert in de nek en fluisterde in zijn oor “ Jij wil toch geen vriendjes worden met de Duitsers ? ” Daarna deed hij net alsof het maar een grapje was, maar het was toch duidelijk bedoeld als een bedreiging.
Rum voor soldaten
Later in het jaar, toen ze nog steeds bezig waren het gat in de duinen te vullen, kwam een Duitse soldaat naar de groep toe. Nadat hij met één van de begeleiders had gesproken, kwam hij op Govert af met het bevel: “Meekomen !”.
Ze liepen het duinpad af tot bij de grote bunker, waar de soldaat in een militair voertuig stapte en gebaarde dat Govert ook moest instappen. Zonder een woord te zeggen reden ze weg, richting het zuiden, langs de Zanddijk, de Middenvliet en de Langevliet, naar Julianadorp. Daar reden ze het erf op van de boerderij tegenover Minnes. Govert moest uitstappen en wachten terwijl de soldaat naar de bunker ging naast de boerderij. Govert was benieuwd wat dit bezoek moest betekenen. Uit de stal kwam een Duitser naar hem toe. Een soldaat met een dikke buik met een vieze schort voor, waaraan hij intussen zijn handen afdroogde. Hij gaf Govert grijnzend een hand en zei dat hij een klusje voor hem had. Govert vertrouwde de man niet en was op zijn hoede, toen de Duitser vroeg hem te volgen. Ze liepen naar een stal, waar twee paarden stonden: een grote magere knol en daarnaast en mager klein paard, een ket, die meestal voor een melkkar werd gebruikt. De Duitser legde zijn vuile hand vertrouwelijk op het schouder van Govert, die daarop een stap terug deed. Hij gaf vervolgens aan wat van Govert werd verwacht.
Op het erf stond een oude kar een soort hooikar, die getrokken moest worden door twee paarden. Op de kar stond een grote houten ton met een zwaar deksel. De dikke Duitser gaf aan, dat Govert met de kar naar het nieuwe anti-tankkanaal moest rijden en daar aan alle soldaten driekwart liter drank uit de ton moest uitdelen. Niet meer en niet minder. Hij waarschuwde nog dat Govert wel voorzichtig moest zijn en zich niet buiten de paden moest begeven, vanwege de daar aangelegde mijnvelden. Govert spande de magere paarden voor de kar. Toen hij daarna het deksel van de ton even oplichtte, kwam hem direct een walgelijke, zoete geur tegemoet. “Is dat rum,?”; vroeg hij. “Ja,” bromde de dikke soldaat, “En jíj blijft er af !!”
Govert was net klaar om weg te gaan, toen de andere Duitser, met een stuk brood in zijn mond, weer uit de bunker kwam. Toen hij zijn mond leeg had, begon hij uit te leggen wat van Govert werd verwacht. Hetzelfde wat de dikke Duitser al eerder had aangegeven. Govert liet de paarden nog wat drinken en toen niemand meer aandacht aan hem schonk ging hij op weg richting Julianadorp.

Duitse soldaten in de duinen
Bij Veul sloeg hij rechtsaf en reed langs de Van Foreestweg totdat hij links van de weg een opening in de prikkeldraadversperring zag. Het was de toegang tot een brede zandweg. Aan beide kanten van de weg was een bordje aan hekpalen getimmerd met daarop een schedel en twee gekruiste botten geschilderd. Het pad liep zig-zaggewijs tot aan het einde van de prikkeldraadomheining, tot bij de nieuwe fortificatie langs het anti-tankkanaal. Hij stopte halverwege het hek en de grondwal langs het kanaal, met hier en daar een betonnen bunker.Tot zover was nog geen rum verloren gegaan. Op het moment, dat Govert het deksel van de ton met rum verwijderde, kwamen ook al de eerste soldaten als duinkonijnen uit de grond. Nog meer soldaten verschenen, allemaal met een klein pannetje. Hij begon de stinkende vloeistof uit te delen, aan alle soldaten zorgvuldig dezelfde hoeveelheid. Na enige tijd stond de kar middenin een walm van zoete geur. Tijdens het uitdelen kwamen nog meer soldaten, zonder enige haast of gedrang. En iedereen was zeer beleefd. Het begon waarlijk op een rustige picknick te lijken. Toen de voorraad bijna op was en hij dacht, dat niemand meer zou komen, maakte hij aanstalten om weg te gaan. Op dat moment kwamen,heftig zwaaiend, nog twee soldaten vanuit de richting van de duinen, die hij ook nog voorzag van een flinke hoeveelheid rum.
Weer terug op het erf van de boerderij aangekomen, stond een jonge vrouw in de deuropening van de bunker. Zij wenkte dat hij binnen moest komen. “Ik wil je wat te eten geven,” riep ze.Govert gaf aan, dat hij eerst nog even de paarden wilde verzorgen. Toen dat klaar was en hij de paarden nog het beetje voer had gegeven, dat in de stal lag, ging hij naar de bunker. Het was één grote keuken met grote ketels en nat aangeslagen muren. Tegen één van de muren stond een tafeltje, waarop de vrouw een bord had neergezet met brood, vlees en melk. “Eet smakelijk,” zei de vrouw. “Dank U wel,” antwoordde Govert.

Eén van de bunkers die was gebouwd bij het anti-tankkanaal tussen
Julianadorp en de duinen dicht bij de Van Foreestweg.
Toch weer aan het werk in de duinen
De tijd verstreek. Govert was een aantal weken niet meer in de duinen aan het werk geweest. Toen hij op een dag thuis kwam, trof hij Gustaf aan in de keuken, met een kop surrogaat koffie. Hij probeerde met zijn moeder te praten, maar zij kon die oude soldaat niet verstaan. Ze meende wel te hebben begrepen, dat hij voor Govert was gekomen. Gustav keek om zich heen en zei, ”Het is al lang geleden dat ik met moeder in de keuken zat.” Haastig verzekerde hij Govert; “Niet met jouw moeder maar met mijn moeder in de Heimat.’ Het bleek, dat Govert, voor een paar weken, terug moest naar de duinen.Govert zijn vader had aangegeven, dat hij hem weer moest helpen bij het boerenwerk. Hij had via de districtbestuurder in Huisduinen aan de Duitse bevelhebbers gevraagd dat Govert niet langer te werk werd gesteld in de duinen, omdat hij nodig was bij het werk in de landbouw.
Het einde van de oorlog nadert
De tijd leek sneller voorbij te gaan. De Canadese troepen hadden al een gedeelte van Nederland bevrijd. Toch kwam nog een hele groep jonge Duitse soldaten naar Julianadorp. Ze waren jonger dan Govert en allemaal in uniform. Opvallend was, dat ze stevig aan de drank waren. Ze hadden allemaal flessen met sterke drank bij zich, desondanks gedroegen zich vriendelijk en ontspannen. Ook aan Govert boden ze de drank aan. Er kwamen nog meer nieuwe Duitse soldaten. Die waren veel meer vechtlustig dan de vorige lichting. Eén van de nieuwelingen was zo strijdlustig, dat hij, bij overvliegende geallieerde vliegtuigen, boven op een bunker ging staan en op de vliegtuigen begon te schieten. Later zag Govert hem, met een drankfles in de hand, stomdronken, waggelend lopen in Julianadorp. Op Dolle Dinsdag, 5 september 1944, verdwenen veel Duitse soldaten, maar kwamen later toch ook weer terug.
Dirk, de jongere broer van Govert, had in die tijd kans gezien twee paar nieuwe rubber laarsen te stelen uit een Duitse opslagplaats.
Bram was al jaren bezeten van de wens om bij de marine te gaan, om daar matroos te worden net als opa, z’n grootvader en naamgenoot Abraham de Jong, maar de heersende oorlog vroeg al gauw weer de aandacht. Het nieuws deed de ronde, dat die Georgiërs op Texel in opstand zouden zijn en dat iedereen de volgende dag het dorp moest verlaten. Ze moesten zich begeven naar een veld ten noorden van de Korte Vliet en ten oosten van de Langevliet, want de Duitsers zouden die Georgiers op Texel vanaf het vaste land beschieten. Het was het laatste gerucht, de oorlog liep ten einde.
Het einde van de oorlog, de bevrijding
Doordat de oorlog ten einde liep, droomde Govert om weg te gaan. Hij dacht daarbij aan Australie. Bram kon niet wachten op het einde van de oorlog. Hij wilde in dienst bij de Nederlandse Marine. Bets had al een lange tijd niets van Franz gehoord. Die was ergens aan het Russische Front.
Toen kwam het einde van de oorlog. Eindelijk, 8 Mei, 1945. Govert maakte deel uit van een grote groep mensen op de hoek van het Loopuytpark, toen de eerste Canadese tanks naderden langs de Schoolweg.

De Canadezen op de Rijksweg langs het Noord-hollandskanaal onderweg naar de kop van Noordholland
De laatste keer, dat Govert één van die Duitsers uit de duinen zag, was korte tijd daarna, toen hij dichtbij Den Helder een Duitse soldaat zag, die leunend op een stok, op wacht stond bij een grote hoop oorlogstuig. Pas toen hij zijn hand naar Govert opstak, herkende hij de oude soldaat, het was Gustaf. Hij wuifde terug, maar kon ook een glimlach niet onderdrukken, toen hij zich bedacht dat Gustav, door het verlies van de oorlog, Hitler toch weer had moeten teleurstellen.
Drie maanden na het einde van de oorlog kwam Bram om het leven door een ongeluk bij de duinen. Weken later vroeg moeder De Jong aan Govert of hij de spullen van Bram wilde bekijken en dat hij alles, dat niet meer van belang was, in een zak wilde stoppen om het vervolgens weg te doen. Wat nog bewaard moet blijven, berg je maar op in je kamer. Toen Govert bezig was met wat ze had gevraagd, trof hij tot zijn grote verbazing tussen al de papieren en de Duitse persoonsbewijzen ook nog een foto aan van Bram, in een uniform van een matroos van de Nederlandse marine. Hij stond daar, Matroos der 1ste Klasse.

De aftocht van de Duitse soldaten langs het kanaal via de Afsluitdijk richting Duitsland
Nawoord.
Govert de Jong is na de oorlog, in 1948, geëmigreerd naar Canada waar hij, na omzwervingen en allerlei verschillende werkzaamheden, een passende opleiding afsloot om samen met zijn vrouw een boerenbedrijf te kunnen beginnen.Hij, Govert de Young, nu 85 jaar oud, stuurde mij in december 2012 het verhaal over zijn belevenissen als twaalfjarige jongen, vluchteling in Koegras gedurende de Tweede Wereldoorlog 1940 - 1945.
De oorspronkelijke tekst van het verhaal van Govert is aangepast en geschikt gemaakt voor publicatie op de website
Julianadorp Parel van de kop van Noordholland, waarbij de strekking van het verhaal niet is aangetast.
d.d. maart 2013
P.J.Sieswerda
beheerder/fotograaf website julianadorp-parelvandekop.nl

copyright G.de Young / P.Sieswerda maart 2013
Index
  - 10 mei 1940, “Ga dekking zoeken jong, het is oorlog !!”
-
De eerste kennismaking met Koegras
-
Naar de markt in Schagen
-
Verhuizen naar een kippenboet van Minnes
-
Weer naar school en een bijzondere gast
-
Krijgsgevangenen in Den Helder 1942
-
Het wonen in de kippenboeten
-
Bets verhuist naar Duitsland, 1942
-
Atlantic Wall en de bunkers in Koegras 1942
-
Molentjes, Hollander en techniek
-
Film in bioscoop op de Blauwe Keet
-
Angstaanjagend bezoek
-
Wachtlopen vanwege diefstal
-
Bijdrage aan voedselvoorziening
- D
orsen onder toezicht van een NSB-er 1943
-
Aanbod vluchtelingenwoning aan de Landbouwstraat 1944
-
Werken aan extra sloot langs de anti-tankgracht
-
Tijdelijke vlucht naar Callantsogervaart
-
Te werk gesteld in de duinen bij Huisduinen najaar 1944
-
Rum voor soldaten
-
Toch weer aan het werk in de duinen
-
Het einde van de oorlog nadert
-
Het einde van de oorlog, de bevrijding
-
nawoord
Extra bronnen van informatie en foto's:
- Helderse Historische Vereniging
-
Historische Vereniging Zijpe - Zijper Museum
- M.Heijblok
-
Atlantikwall platform
- diverse internetsites over WO2

Klik hier voor meer verhalen over de Tweede Wereldoorlog in Julianadorp en Koegras op deze website
Reageren:
Mocht u, na het lezen van het verhaal van Govert de Jong als vluchteling
in Koegras, willen reageren en/of aanvulling geven op het verhaal.
Dan kan dat via e-mail:
julianadorp@hotmail.com
Deze pagina is gemaakt voor de website
Julianadorp parel van de Kop
http://www.julianadorp-parelvandekop.nl
d.d. maart 2013
aangepast: maart 2013
copyright: Julianadorppromotie '95